Op 7 juni jl. heeft de Hoge Raad een tweetal arresten gewezen in het kader van de werkgeversaansprakelijkheid. Hieronder nog even de punten op een rij, welke tot werkgeversaansprakelijkheid in het kader van medische aandoeningen, kan leiden.

De stand van zaken tot 7 juni 2013

In de genoemde Unilever arresten (LJN AA8369, LJN AW6166) en LJN BF8875) is de volgende rechtsregel tot stand gekomen bij beoordeling van de medische klachten van een werknemer. “Wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, moet het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder de omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt”.

 Hoge Raad BZ1717

In de eerste uitspraak van 7 juni 2013 voegt de Hoge Raad aan deze regel toe dat de regel zoals hierboven genoemd:”srukt het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dat vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is”.

In deze zaak ging het om een werknemer die leed aan RSI klachten. Nu omtrent de aard en de oorzaken van RSI veel onduidelijkheden bestaan meende de Hoge Raad dat: “ mede als gevolg daarvan, onvoldoende aannemelijk is dat de arbeidsomstandigheden van (verweerster) haar RSI hebben veroorzaakt – is het andersluidende oordeel van het Hof dat de regel uit de arresten Unilever/(A) en (B/C) van toepassing is – zonder nadere motivering niet begrijpelijk en “In het licht van de onduidelijkheden omtrent de aard en oorzaken van RSI volstaat niet dat wordt aangesloten bij de zienswijze van een deskundige op grond van de enkele verwijzing naar diens kennis, ervaring en intuïtie gebaseerde schatting”.

LJN BZ1721

In de tweede uitspraak van 7 juni 2013 heeft de Hoge Raad overwogen dat de in de Unilever arresten bedoelde regel, zoals hierboven naar voren gebracht, het vermoeden uitdrukt dat: “de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending van de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dit vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is”.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat: “het Hof heeft weliswaar met juistheid geoordeeld dat het enkele feit dat tot 1990 het gevaar van kanker door blootstelling aan verf en oplosmiddelen niet kenbaar was, nog niet doorslaggevend is, maar zijn oordeel dat uit de aangehaalde vakliteratuur en het Publicatieblad P-139 volgt dat [eiseres] bekend behoorde te zijn met “de gevaren verbonden aan de blootstelling aan gevaarlijke stoffen”, en dat zij zoals het Hof kennelijk heeft geoordeeld – op die grond maatregelen had moeten treffen dan wel instructies had moeten geven die hadden bijgedragen tot een beperking van die gevaren, is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk. Het hof heeft – in het licht van de door [eiseres] aangevoerde omstandigheden, nagelaten te vermelden welke zorgplicht [eiseres] naar zijn oordeel heeft geschonden en welke maatregelen zij had moeten nemen, of welke instructies zij had moeten geven, en het heeft aldus zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd”.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat proportionele aansprakelijkheid is bedoeld voor gevallen waarin niet kan worden vastgesteld of de schade is veroorzaakt door een normschending. De Hoge Raad voegt daaraan toe dat: “onder een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf komt wordt in het geval als het onderhavige verstaan een buiten de uitoefening van de werkzaamheden gelegen omstandigheid die aan de werknemer moet worden toegerekend, zoals roken, genetische aanleg, veroudering, of van buitenkomende oorzaken. Die laatste drie omstandigheden kunnen de werknemer weliswaar niet worden verweten, maar komen in de verhouding tot de werkgever voor zijn risico”.

Conclusie

De twee arresten van 7 juni 2013 betreffen een inhoudelijke toets van de eerder vastgestelde criteria. Met deze uitspraken geeft de Hoge Raad een handvat aan werkgevers en werknemers over de vraag hoe in het concrete geval, al dan niet, tot een aansprakelijkheid kan worden gekomen.

Uitgangspunt daarbij is dat de lagere rechters niet kunnen volstaan met een verwijzing naar deskundigenrapporten en algemene begrippen als normschending. De lagere rechter dient te onderzoeken en de werknemer dient daarmee aannemelijk te maken, dat

  1. een daadwerkelijk verband bestaat tussen de      gezondheidsklachten en de arbeidsomstandigheden. Dit verband mag niet te      onzeker of te onbepaald zijn.
  2. dit standpunt dient inhoudelijk gemotiveerd te      worden, een enkele verwijzing naar een zienswijze is onvoldoende.
  3. dat oorzakelijk verband kan worden aangenomen      indien de werkgever heeft nagelaten maatregelen te treffen die      redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de      uitoefening van de werkzaamheden schade lijdt.
  4. voor de vraag of de zorgplicht is geschonden dient      niet alleen gekeken te worden naar het daadwerkelijke schenden van die      zorgplicht, doch ook naar de overige omstandigheden van het geval, onder      meer de gevolgen van de schending.
  5. duidelijk moet zijn welke zorgplicht is      geschonden en welke maatregelen hadden moeten worden genomen/instructies      hadden moeten worden gegeven.
  6. onderzoek proportionele aansprakelijkheid, is de      schade veroorzaakt door de normschending, dan wel komt deze voor risico      voor de benadeelde zelf.

Met deze door de Hoge Raad gegeven handvatten komt de rechtspraak weer een stap dichter bij om op basis van een afstreeplijstje te kunnen beoordelen of sprake is van werkgeversaansprakelijkheid. Een tweetal nuttige uitspraken zodoende, in een lange reeks.